De belangrijkste algemene financiële risico’s bij de uitvoering van het treasurybeleid zijn renterisico, kredietrisico, liquiditeitsrisico, koersrisico, valutarisico en debiteurenrisico.
Renterisico
Renterisico is nooit uit te sluiten. Voor in de toekomst aan te trekken leningen is de rentevoet afhankelijk van een groot aantal nauwelijks te beïnvloeden factoren.
Kasgeldlimiet
De kasgeldlimiet geeft het renterisico op korte termijn weer (korte termijn financiering). Dat is de grens waarboven we niet met kort geld mogen financieren. De grens voor kort geld ligt bij één jaar. De kasgeldlimiet op grond van de wet FIDO is voor 2025 vastgesteld op € 6.909.310. Dat is het door het rijk vastgestelde percentage van 8,5% over ons primitieve begrotingstotaal van € 81.286.000. In 2025 heeft er geen overschrijding van de kasgeldlimiet plaatsgevonden.

Renterisiconorm
Het renterisico op de lange financiering wordt begrensd door de renterisiconorm. Als lange financiering wordt volgens de Wet FIDO aangemerkt als alle financieringsvormen met een rentetypische looptijd langer dan een jaar. We berekenen de renterisiconorm net als de kasgeldlimiet over het begrotingstotaal. Als norm houdt de Wet 20% van het begrotingstotaal aan met een minimum van € 2,5 miljoen. Dit houdt in dat de aflossing van de lange schuld in enig jaar niet hoger mag zijn dan 20% van het begrotingstotaal aan lasten.

De renterisiconorm is in 2025 niet overschreden.
Kredietrisico
Kredietrisico is slechts beperkt aanwezig, omdat kredietverstrekkingen bijna uitsluitend aan plaatselijke verenigingen zijn verleend. Vaak is een verrekening met subsidies mogelijk. Voor de verstrekte leningen via de SVn geldt dat voor de startersleningen het Waarborgfonds Sociale Woningbouw een achtervangfunctie heeft. De overige leningen van de SVn worden aan eigenaren van woningen verstrekt, waardoor het kredietrisico eveneens beperkt is.
Liquiditeitsrisico
In het jaar 2025 hebben zich geen liquiditeitsrisico’s voorgedaan.
Koersrisico
We lopen geen koersrisico, omdat onze gemeente geen beleggingen met koersen meer heeft.
Valutarisico
Valutarisico is door invoering van de Euro nauwelijks meer van belang. Ons treasurystatuut verbiedt het gebruik van derivaten.
Debiteurenrisico
Voor verwachte oninbaarheid van de belastingdebiteuren, leenbijstand en overige debiteuren is een voorziening dubieuze debiteuren gevormd. Hierin nemen we ook de nog niet geïnde maar wel opgelegde dwangsommen mee. Op basis van een individuele beoordeling debiteurenrisico van de vorderingen, bepalen wij de hoogte van de voorziening op de inschatting van de mogelijkheid tot het innen van de individuele vorderingen. Hierbij houden we zoveel mogelijk rekening met de ontvangen bedragen op het moment van opstellen van de jaarstukken en met vorderingen waarvoor betalingsregelingen zijn getroffen.
In onderstaande tabel zijn de stand en het verloop van de verschillende voorzieningen voor niet te innen debiteuren opgenomen.

De voorziening dubieuze debiteuren wordt aangehouden om de oninbaarheid van toekomstige vorderingen op de debiteuren op te kunnen vangen. Jaarlijks vindt er een inventarisatie en beoordeling plaats van de openstaande debiteuren en het bijstellen van de voorziening dubieuze debiteuren
In 2025 zijn er vorderingen oninbaar verklaard voor een bedrag van € 86.000 voor algemene debiteuren.
Op basis van de inventarisatie heeft er een dotatie aan de voorziening algemene debiteuren plaatsgevonden van € 39.000 om de voorziening weer op peil te brengen.
Per 31-12-2025 was in totaal nog een bedrag te ontvangen van € 2.409.000 van belastingdebiteuren, leenbijstand en overige debiteuren (exclusief dwangsommen). Hiervoor is in totaal een voorziening (algemene debiteuren en leenbijstand) voor niet te innen bedragen gevormd van € 74.000.
De opgelegde maar nog niet geïnde dwangsommen worden voor 100% in de voorziening debiteuren dwangsommen opgenomen. Zodra de opgelegde dwangsommen geïnd zijn, komen deze ten gunste van de exploitatie. De toename aan de voorziening dwangsommen wordt verklaard doordat er dwangsommen zijn opgelegd aan bewoners van Rivierendal.
Het saldo openstaande debiteuren Werk en Inkomen bestaat uit de vorderingen BUIG (Bbz, Wwb, Iaow en Iaoz) en bedraagt per 31 december 2025 € 592.000.
Voor de openstaande vorderingen Werk en Inkomen is een voorziening getroffen voor de verwachte onmogelijkheid om te innen. Deze verwachte onmogelijkheid is over 2025 op dossierniveau (klantniveau) opgesteld. De totale voorziening dubieuze debiteuren BUIG bedraagt hierdoor per 31 december 2025 € 341.000. Er zijn afboekingen van vorderingen geweest tot een bedrag van € 58.000 en daarnaast is er een bedrag toegevoegd van € 26.000 om de voorziening weer op peil te brengen.
